1 VAN MAN TOT MAN Twee mannen tegenover elkaar. n zit, n staat. De rechter zit, de arrestant moet blijven staan, meester en knecht. Verder niemand. De rechter heeft ook niemand nodig. Hij wordt in de rug gedekt door het grootste machtsapparaat dat op dat ogenblik bestaat. De arrestant is weerloos en alleen. Zijn vrienden hebben hem in de steek gelaten. Hun voorman heeft van de arrestant gezegd: "Ik ken die man niet". Een van de anderen heeft hem in handen gespeeld van het arrestatieteam. Hij staat nu terecht. Terecht? Wat een ironisch woord voor wie gelezen heeft onder welke beschuldiging hij is voorgeleid en wat hij vr zijn arrestatie heeft gedaan. De rechter heeft op zijn knien het proces-verbaal liggen en stelt vragen. Uit de antwoorden van de ondervraagde blijkt niets van schuld. Maar dan dreigt het opgehitste gepeupel in opstand te komen. De macht van de rechter blijkt nu niet meer dan een loze faade. Hij zwicht voor de druk en veroordeelt Jezus tot de kruisdood. De arrestant blijft overeind. Hij kijkt de rechter aan met een blik, waarin niets van triomf te lezen staat maar die wel getuigt van een innerlijke zekerheid, die in ieder geval op dit ogenblik onverwoestbaar is. Ze zijn beiden gevangen in een krans van warrige zwarte strepen. De schilder dacht hierbij aan de takken van de doornenkroon, die al klaar liggen voor de soldaten om Jezus tot pseudo-koning te kronen. Mij doen ze denken aan "de strikken van de dood" van Psalm 18,6 die zich van nu af steeds strakker om Jezus zullen sluiten.

... haast hield mij de doodskrocht gekluisterd de dood met zijn worgstrik stond voor mij (Psalm 18,6)