13 DE MOEDER, DE ZOON "Was dat maar waar: moeder n zoon" denkt de moeder "ik ben een moeder die haar enige zoon verloren heeft, een moeder zonder zoon". Dat is zonder twijfel een van de schrijnendste dingen die vrouwen kunnen overkomen, zeker in onze cultuur waarin de kindersterfte zo ver is teruggedrongen dat ze slechts bij uitzondering een familie treft. De omstandigheden maken het in dit geval voor deze moeder alleen nog maar erger. De zoon was een volwassen man, en hoe volwassen! Hij heeft zich van haar losgemaakt om zijn eigen weg te gaan, en wederom: wat voor een weg! Hij is het slachtoffer geworden van een gerechtelijke moord en geexecuteerd met het gruwelijkste folterinstrument waarover de Romeinse bezetters beschikten en dat daarom voor slaven gereserveerd was. Ted Felen heeft een pita in optima forma geschilderd. De moeder met "haar grote jongen" op schoot, de schoot waar hij lang geleden als kleuter ook regelmatig op gezeten heeft. Op de schoot? Nee, een schilder kan uitbeelden wat een beeldhouwer niet of nauwelijks kan. De moeder heeft haar jongen niet echt op schoot. Het kind, de zoon, de man is veeleer teruggekeerd in haar moederschoot en rust daar, voor het oog onbeschadigd, een gerijpt en ongeschonden embryo van ontroerende schoonheid en vol belofte. Maar hij rust er niet echt. Integendeel, hoe dood hij ook is, er is desalniettemin duidelijk een wederzijdse en blijvende genegenheid zichtbaar. Zo moeder, zo zoon. Zij wendt zich naar hem, vol verdriet. Zijn dode lichaam welft zich naar haar toe. Beiden hebben de ogen gesloten. Wat zij zien, zien ze niet met de ogen, maar van binnen, met het hart. Het blauw van Maria's mantel en sluier is niet het lichtblauw waarmee schilders haar van oudsher uitbeelden in de christelijke iconografie, maar het donkere blauw, dat op de twee voorgaande staties haar zoon kenmerkte. Zo zoon, zo moeder.