14 DE TWEEDE EN DE DERDE NACHT De eerste nacht is - althans voor Jezus - een nacht geweest van onrust en slapeloosheid. De tweede nacht volgt op de avond, waarop een zekere Jozef in haast de begrafenis van Jezus heeft voltrokken en het lichaam heeft bijgezet in een van de grafkamers van een nieuw graf. Dat had hij voor zijn familie in de rots laten uithouwen, maar heeft er nu haastig Jezus in begraven. Deze tweede nacht is een nacht van de diepst mogelijke rust. Ook van een ongewoon lange rust. Want die nacht is de nacht van de sabbat. En daarop volgt dan weer de sabbat zelf, de zevende dag, waarop volgens Genesis God zich zelf rust heeft gegund na het scheppingswerk voltooid te hebben. En na die sabbat is er weer een nacht, de derde nacht. Nu ook zijn werk volbracht is, lijkt Jezus aan deze goddelijke rust deel te hebben. Hij ligt ingewikkeld in een lange linnen doek, zoals vroeger zijn vriend Lazarus, toen die aan een dodelijke ziekte was bezweken. Hij straalt een eindeloze rust uit. De schildering lijkt te suggereren, dat alles nu weer op zijn plaats is, de chaos bedwongen. De dode Jezus heeft de ogen uiteraard gesloten. Toch heb je het gevoel, dat hij - net als God op het einde van elke scheppingsdag - nog eens teruggekeken heeft en gezien , dat het zo goed is. De voeten, die zoveel kilometers hebben afgelegd om de boodschap te brengen van redding en heil, en om mensen ook metterdaad van dienst te zijn, steken uit de windsels. De handen daarentegen niet. Soms heeft hij daarmee moeten slaan. Maar met die lieve, grote handen heeft hij vooral mensen genezen en doen opstaan en kinderen op zijn schoot gezet en ze geaaid. Daarmee heeft hij op weg naar de kruisiging de handen van zijn moeder nog vastgepakt en haar getroost en geliefkoosd. Nu zijn ze ingezwachteld. Ze rusten ook. Maar ze kunnen het niet laten om met onweerstaanbare kracht door de strakke, dikke doeken heen kracht uit te stralen, en ze verwijzen behalve naar rust en weerloosheid ook naar de meest volstrekte overgave waar een mens aan toe kan komen.