UITGEBROKEN Ik schrijf dit op een van mijn laatste morgens terwijl de klok zes uur wijst. Ik heb zojuist de gordijnen opengetrokken van mijn zieken-

huiskamer en word verrast door een uitzonderlijke explosie van morgenrood. Nu deze zin is neergeschreven, ziet de hemel er intussen weer gewoon en kleurloos uit. Maar die eruptie van enkele seconden is precies wat de laatste statie van deze uitzonderlijke kruisweg mij te zien geeft. De sabbat heeft een einde genomen op het moment dat de avondster aan de hemel verscheen. De evangelieverhalen doen er toch nog het zwijgen toe. Ze gaan pas verder als de zon is opgegaan. Enkele vrouwen willen Jezus' lichaam alsnog gaan verzorgen. Ze zijn echter ondanks het vroege uur te laat en vinden het graf geopend. In de grafopening zien ze een jongen die hun zegt, dat Jezus er niet meer is. Wat zich daarvˇˇr precies heeft afgespeeld is door niemand gezien en in geen van de evangelies beschreven. Maar wat onzienbaar was, ziet Ted Felen nog steeds met zijn schildersoog. Inderdaad: een onvoorstelbare explosie van licht, kleur en leven. Jezus breekt uit uit de gevangenis van het goedbedoelde graf. Alle donkerte en duisternis laat hij achter zich. De doorntakken of de strikken van de dood of wat het ook is vallen uit elkaar. Niets kan hem meer vasthouden, zelfs niet de uitzonderlijk zware steen die voor de grafdeur gerold was. Jezus' handen staan open naar boven, naar het huis van de vader waar hij naar terugkeert om er voor de zijnen een plaats te bereiden. Zijn linkerhand draagt het lidteken van het gat waar de spijker heeft gezeten. Oude wonden en lidtekens zijn de decoraties die je oploopt van het leven, het bewijs dat je er niet voor niets geweest bent. Met uitzondering van de donkere grafkamer waar hij uitbreekt, is alles licht en wit en goud wat er blinkt. Er is enkel vrijheid, blijheid en uitzinnige vreugde. Want niet alleen voor Jezus' graf geldt, dat het geen laatste rustplaats meer is, maar een doorgangshuis is geworden. Alle graven zullen opengebroken worden. Niet door boeven die schatten zoeken als in de graven van de Egyptische farao's, maar door de Ene, de Eeuwige, die beloofd heeft dat hij ons niet overlaat aan het dodenrijk. Aan de andere kant van mijn ziekenhuisvenster zit de hemel weer vol grijze vegen. Maar de explosie van licht is voor altijd in mijn netvlies ingebrand.

Tekst van Bas van Iersel, Hemelvaart, 13 mei 1999